Zuid Servië

door Kim Linse
Bergdorp

We laten de auto schuin achter de vangrail staan. ‘Vanaf hier gaan we lopen’, zegt ze. Ik kijk naar het modderpad waar we op staan. Ik kijk naar mijn rolkoffer. We schieten in de lach.
De reden van deze reis naar Servië is een bezoek aan de geboortegrond van mijn vriendin Suzana. Ik ben haar enorm dankbaar voor deze ervaring. Ik neem je mee op deze bijzondere trip.

We rijden vanaf Belgrado 340 kilometer naar het zuiden van Servië, naar Vranje. Spreek uit als wranje. Sinds de onafhankelijkheid van Kosovo, welke door de meeste Serven nog altijd niet wordt erkend, is dit de uithoek van het land geworden. Het is de armste streek van Servië. De recent gerenoveerde tolweg richting Skopje en Athene maakt het gebied wel toegankelijker.

Servische gastvrijheid

In Vranje woont Mare, een nicht van Suzana, samen zullen we verder reizen naar het huis van hun grootouders. Eerst drinken we kafa (Servische koffie) met zelfgestookte raki (brandewijn van, in dit geval, pruimen). Het is niet beleefd in Servië om hiervoor te bedanken.

En dan blijkt er een uitgebreide, typisch Servische, lunch klaar te staan. Op de tafel komen verschillende gerechten zoals bladerdeeg met geitenkaas en spinazie, een soort turksbrood met ajvar (paprikaprut, mijn absolute favoriet!) gekookte eitjes, diverse vleeswaren met vette spekrandjes en zelfgemaakte cevapi (gehakt).

Na Vranje is de grootste stad van Zuid-Servië Bujanovac. Hier wonen ongeveer 11.000 inwoners, waarvan één derde Serven, één derde Albanezen en één derde Roma. De meeste mensen in deze gemeente, totaal 43.000, woont op, en leeft van het platteland. De streek staat ook bekend om haar bron van mineraalwater en kuuroord Banja.

Rusce, bergdorp in het zuiden

Wij reizen verder naar Rusce. ‘Hier wat langzamer rijden, we zijn er bijna’, zegt Suzana. Ik zie in de verste verte niets wat op een dorp moet lijken. ‘Bij die paal, waar dat gat in de vangrail zit, daar moet je in’. Ik kijk haar aan. Ze meent het. Ik rijd er in. In Nederland noemen we dit een ravijn, hier spreken ze van een onverharde weg naar beneden. Hier parkeren we de auto.

Vanaf hier is het ongeveer drie kilometer naar boven lopen. We hoeven maar één keer over een beekje te springen en er ligt nog maar een klein restje sneeuw.
Dan plotseling zie ik een oude schuur. Het blijkt het huis van de buren. En daarachter nog een huis. Ik ben onder de indruk en wil alles weten over het leven op de berg.

Er zijn 6 huizen. Vroeger woonde hier 6 gezinnen met minimaal 4 kinderen, zo kwam wikipedia op 37 inwoners in 2002, nu wonen er nog 2 mannen op leeftijd. De huizen, gemiddeld met drie ruimten, zijn gemaakt van klei. Op de kleien vloer liggen kleden als vloerbedekking. De kachel is een groot fornuis dat zowel voor koken als warmte dient. En dat is het eerste wat Mare doet: hout in de kachel. Er is stromend koud water uit de bron verderop. De elektriciteit heeft een Oom weten af te tappen van een paal langs de weg. Een riolering ontbreekt.

De gezinnen die hier tot begin 2000 woonden, leefden voor een groot deel zelfvoorzienend. Met een hele grote vriezer. Ik vraag mij dan af hoe zo’n vriezer de berg op komt, bij het ontbreken van een weg hiernaartoe. ‘Met een tractor natuurlijk’ lacht Suzana mij uit.

Driehoek Servië, Kosovo en Noord-Macedonië

We maken een wandeling nog 5 kilometer verder omhoog. Dan staan we stil en wijst Suzana aan. Daar ligt Kosovo en daar is Macedonië. Ik denk aan de Joegoslavische oorlogen  tussen 1991 en 2001. Wat een ellende moet zich hier hebben afgespeeld.

Prohor Pcinski klooster

Op de grens met Macedonië ligt de grootste toeristische bezienswaardigheid van dit gebied: het Prohor Pcinski klooster. Dit Servisch-orthodoxe klooster is uit de 11de eeuw en ligt tegen een helling aan. Binnen in het klooster is nog altijd een religieuze school en een school voor kunstvoorwerpen en kunstgeschiedenis. In de zuidvleugel is een hotel gebouwd voor de vele toeristen die hier komen. Steek je de weg over, dan kom je bij een heilige bron. We nemen wat heilig water mee.

De terugreis is weer over Vranje. Deze stad was van grote betekenis in de Ottomaanse tijd en het Turkse karakter heeft het nog steeds. Inclusief Hamam. Maar die is voor het publiek gesloten. Wat wel voor het publiek geopend is, is het geboortehuis van de beroemde Servische schrijver Borislav Stankovic. Hij schreef vooral over het leven in het zuiden van Servië in een tijd (1910) waarin de Serven net waren bevrijd van de Turken.  In het museum kun je zien hoe hij leefde en er is een ruimte ingericht met fotomateriaal en tekst over de schrijver.

Wij passeren er ook de St Trojice kerk; de kathedraalkerk van de Heilige Drie-eenheid in Vranje. Ik vond het een eye-catcher in de stad en heb geprobeerd bij de inwoners van Vranje te weten te komen of dit een belangrijke kerk voor de stad is. Doordat de bewoners echt geen Engels spreken, ben ik niet verder gekomen dat dit: een eerbetoon aan de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

Ook passeren we een bijzonder modern postkantoor, midden in de stad. Waar in het west-Europese leven steeds meer overheidsgebouwen vervangen worden door de digitale wereld, wordt hier nog flink geïnvesteerd in mooie ruimten  voor overheidszaken.

Observaties

Mijn indruk van Servië is er één gebaseerd op waarnemingen. De jongeren zouden Engels moeten spreken maar ik heb deze jongeren niet getroffen.
Mijn algemene ervaring is dat het een heel gastvrij volk is. Overal waar je komt delen de mensen hun huis en voedsel met je.

De gevolgen van jaren oorlog voel je echter nog steeds. Als  Kosovo in het nieuws komt bijvoorbeeld zie je aan de uitdrukking en temperamentvolle handbewegingen van de kijkers dat daar veel rancune heerst.

Omkoperij is nog een onderdeel van het dagelijks leven. Toen ik last-minute een Corona- sneltest moest doen werd ik in de rij als eerste behandeld nadat de taxichauffeur euro’s in mijn paspoort had gestopt.
En bij het inleveren van mijn huurauto werd getracht mij een aanrijding aan te rekenen. Gelukkig had ik foto’s gemaakt toen de auto bij aankomst op gebreken werd gecontroleerd en hiermee kon ik dat rechtzetten.

Ook op het gebied van klimaatverandering en zorgen voor het milieu zal het land nog stappen moeten maken. Aangelengde benzine koop je er nog steeds aan de kant van de weg. Ik heb menig rokende Yugo (sinds 2000 worden deze auto’s niet meer gemaakt) op de snelweg gepasseerd. En dat plastic, werkelijk overal langs de weg vind je plastic tassen en flessen.

Wel voelde het land veilig. Gastvrijheid overheerst. Ik denk dat de bevolking vooral nieuwsgierig is naar de toerist die dit land jaren heeft gemeden. Wanneer je dit land bezoekt adviseer ik je op je hoede te zijn voor oplichterij. Maar verder raad ik iedereen aan dit land nu te bezoeken. Geniet van de Servische gastvrijheid en help deze hardwerkende mensen stappen te zetten naar toetreding tot de EU en dus economische vooruitgang!

You may also like

Laat een bericht achter

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.